06-01-11

We 'crosjeteren' vuurt an onzen Loatemschen Woordenboek

Dialectwoorden zoeken uit je eigen dorp is niet alles. De autochtonen die het ons nog spontaan konden vertellen zijn er niet meer en ons (dat van de huidige 50-plussers) vocabularium is door het Gents en West-Vlaams totaal verbasterd. 

Hier komt de C, D en E! 

Er is echter nog veel werk aan de winkel en dus is een beetje hulp altijd welkom.


C

 

Carnasjeere: boekentas

Carreauhende: geruite hemd

Cens: geld

Cervela: soort worst

Chambran: deuromlijsting

Chapelure: paneermeel

Chassen: wc doorspoelen

Chicaneren: vitten, discussiëren

Clignoteur: richtingaanwijzer (zie ook: pinker)

Coede: aansluitstuk in leiding

Cresson: waterkers

Crosjeteren: haken, haakwerk maken

Culoo: lef; ‘den dienen ee nogal un beetse culoo!’

 

D

 

Dada: hobby, passie; ‘goan dansen es zijnen dada’

Dantiest: tandarts

Dakdekker: dakwerker

Deebarra: rommelkamer, achterkeukentje

Dekker: iemand die graag neukt

Desselen: dorsen

Dèssinge: rammeling

devuren (zijn … doen): zijn best doen

Deidei: dag, tot kijk

Diere: de toatten zijn diere van de joare... duur, kostelijk

Dijssendag: dinsdag

Dominofiesse: een verdeelstekker voor elektrische aansluitingen

Drets: vuile, vieze bedoening

Dreupel: borrel

Drilkonte: iemand die graag op stap gat 

Dulte: hooizolder

Dust: dorst

Dui: duw, dauw

Duuf: doof, hardhorig

Duum: damp, stoom

Duvelkeskirmesse: regenen terwijl de zon straalt

Dzjuun(s):  ajuin(en), ook andjuun(s) 

 

E

 

Eesjappement: uitlaat (van auto)

Eigrond: bosgrond, gecomposteerde bladgrond (ook 'heigrond')

Ekstijl: een koppigaard, iemand die bij zijn mening blijft al heeft hij ongelijk (ook hekstijl)

Enkelgeld: wisselgeld (ook: kluitegeld)

Entrepreneur: aannemer (van bouwerken)

 

 

16:24 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

Post een commentaar