10-07-10

Sint-Martens-Latem: controverse bij drevenbeheer

Sint-Martens-Latem en de dreven...

Al jaren liggen we hier in dat zogenaamde rustige dorpje in discussie over het beheer en de mobiliteit in de dreven. Sinds vijftien jaar verspelen we onze tijd en geld aan oeverloze discussies over het hoe en waarom van verharding.

Verharding? Een dreef zou in se een onverharde weg moeten zijn en hier heeft men in de bos- en landelijke dreven vaak de fout gemaakt die te verharden om de bewoners tot vriend te houden. Nu ben ik geen specialist in bos- en landbouw maar ik heb een stukje boerenlogica meegekregen van mijn verre Ruddervoordse voorvaderen die meestal boer of bosbeheerder waren voor één of andere baron of graaf. Ik ben dus van nederige afkomst.

Wie op de buiten wil wonen, moet het stof of de modder erbij nemen of anders blijft hij beter een stadsmens.

Jammer genoeg is de ‘boerenstiel’ hier in ons idyllische kunstenaarsdorp volledig aan het wegkwijnen.
Toch zijn het mensen met een beetje boerenverstand en veel ervaring die de juiste oplossing kunnen bieden.
Schepenen Coryn en De Jaeger die thuiswaren in de land- en tuinbouw hadden beter moeten weten.

Weg die verhardingen! Rij rustig en geniet van holle wegen.

Nu zult u zeggen wat is een holle weg, hoe ontstaat hij en wat is zijn nut?

Een holle weg is een weg of pad waarvan het wegdek lager ligt dan het omliggende land. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit. Het is een proces dat ook vandaag nog optreedt zolang het wegdek onverhard blijft. Een ‘holle weg’ is die naam waardig wanneer het wegdek minstens een halve meter lager ligt dan de gronden rondom.

Het mooiste voorbeeld is het nog onverharde deel van de Kapitteldreef, waar we vroeger de Reinaertdreef, Buizenberg en de Koedreef in Deurle hadden.

Holle wegen zijn typische kleine landschapselementen voor heuvel- of duinstreken met een leemondergrond.
De fijne leemkorrels kleven goed samen en laten de vorming van stevige, steile wanden toe. Zand brokkelt geleidelijk af zodat hierin enkel ondiepe holle wegen ontstaan. Naast een geschikte bodem is een hellend reliëf nodig, opdat het afstromende regenwater voldoende kracht krijgt om grond mee af te voeren.

Op die manier worden op een natuurlijke manier de ontstane spoorvormingen of putten gevuld. Sommige holle wegen ontstonden in de Middeleeuwen of zijn nog ouder en dateren uit de Romeinse tijd. Holle wegen dragen dus een stukje geschiedenis mee en maken daarom deel uit van ons cultureel erfgoed.

Waarom zijn holle wegen zo bijzonder?

Naast hun cultuurhistorische waarde hebben holle wegen ook een belangrijke natuurwaarde. In ons intensief gebruikte landschap zijn holle wegen van groot belang voor plant en dier. Ze herbergen soms het laatste restje wilde natuur te midden van uitgestrekte akkers of dienen als verbindingsweg of stapsteen tussen bosjes en andere stukjes natuur die versnipperd liggen in de omgeving. Door hun verzonken ligging heerst in holle wegen een microklimaat, zeker wanneer de bermen bebost zijn. Het is er windluw, schaduwrijk, vochtig, koeler in de zomer en zachter in de winter dan ‘erbuiten’.

In beboste holle wegen vinden typische schaduwplanten hun stek: allerlei varens, Gele dovenetel, Geel nagelkruid, Salomonszegel. In de struik- en boomlaag vind of liever vond je een veelheid aan inheemse soorten. Ook holle wegen die niet bebost zijn kunnen een hoge natuurwaarde hebben. Vooral op zonnige bermen kan een grote verscheidenheid aan bloeiende kruiden voorkomen.

Naast een ecologische functie hebben holle wegen uiteraard ook een economische functie - vroeger in de eerste plaats voor de landbouw - en een recreatieve functie. Samen met andere ‘trage wegen’ zijn ze ideaal voor wandelaars, ruiters en fietsers om van het landschap te genieten.

Bedreigingen …

Helaas gaat het niet altijd even goed met onze holle wegen. Het toenemende verkeer (meestal bestemmingsverkeer) en de woekerende bebouwing zijn rechtstreekse bedreigingen. Talrijke holle wegen – en helaas ook andere kleine landschapselementen zoals graften, bomenrijen en houtkanten verdwenen (legaal of niet) de laatste decennia. Het gevolg was zonnebrand en stuk gereden wortelstructuur in bijvoorbeeld de Rode Beukendreef.

Vroeger werden de bomen en struiken in holle wegen meestal als hakhout beheerd Het hout werd regelmatig gedeeltelijk gekapt omdat men brand- en geriefhout nodig had. We willen de inwoners bewust maken van het waardevolle van de schaarse, nog bestaande holle wegen in hun omgeving.

De meeste holle wegen zijn immers officiële openbare wegen, ook al behoren de bermen soms voor een stuk tot het naastliggende perceel of privé-domein. Dit wil zeggen dat alle werkzaamheden die geen normaal onderhoud zijn, verboden zijn; tenzij hiervoor een ‘individuele ontheffing’ werd verkregen of een stedenbouwkundige vergunning met advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid.

Het wijzigen van het wegdek door het aanbrengen van allerlei verhardingsmateriaal, het graven van een oprit naar een perceel, het verwijderen of vernietigen van vegetatie, … zijn duidelijk géén normale onderhoudswerken.

Een andere wetgeving die van toepassing is op vele holle wegen en andere ‘trage wegen’ (veldwegen, oude kerkwegels, paadjes, …) is de ‘Wet op de Buurtwegen’. Alle officiële buurtwegen zijn aangeduid in de ‘Atlas der Buurtwegen’, die ter inzage ligt bij de gemeenten en de provincie. Deze buurtwegen zijn openbaar: iedereen mag er gebruik van maken en ze mogen ook niet afgesloten worden. Dit geldt ook voor buurtwegen die gelegen zijn op private eigendom!

Het wordt dus een dwingende noodzaak om het dossier ‘Trage Wegen’ in onze gemeente eindelijk eens grondig te inventariseren en toe te zien wat nog kan gered worden. Geef het dossier uit aan een fijngevoelig bureau voor landschaparchitectuur met mensen met kennis van zaken, mensen die de natuur nog met hart en ziel verdedigen en dienen.
Dreven en holle wegen zijn geen crosscountry- of snelheidsparcours, matig dus je snelheid en het stof zal minder opwaaien. Je kent toch die mop van die muis en die olifant die door de woestijn rennen, of niet soms?

Misschien denk je: “met wat moeit de Loathemsche Kleppe zich nu?” Het is simpel: Latem en Deurle liggen hem nauw aan het hart.

Kapitteldreef

De Kapitteldreef, foto Eveline Czerniewski

14:53 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

09-07-10

Sint-Martens-Latem: een beetje nostalgie mag toch?

 

Het is nu niet dat we van Latem en Deurle Bokrijk moesten maken want dat zou utopisch zijn. We hebben hier nu eenmaal niet het ‘limburggevoel’.

Ik kom regelmatig bij vrienden in de Borggravevijverstraat in Hasselt, op een steenworp van Bokrijk. Niet specifiek voor het heerlijke Bokrijk met zijn kruidentuinen en heerlijk groen, hoewel ik er toch niet kan aan weerstaan. Ik geniet dan niet alleen een weekend lang van de sfeer, de geur van de lemen hoeve en de wilde visvijver van mijn gastheer maar ook van de openheid en de minzaamheid van de Hasselaar. De Flanders Nippon, een schitterend golfterrein, waar ook ik een balletje mag slaan, straalt een sfeer van vriendschap uit. Als je na de negen holes van het openbare terrein op het terras van de bar een verfrissing neemt wordt je gekust en geknuffeld alsof je gans je leven al Hasselaar was.

Wij hebben hier inderdaad ‘Les Buttes Blanches’ en ‘La Garenne’, één van de mooiste golfclubs en clubhouses van België. Nu is het de ‘Royal Latem Golf Club’, gesticht door Albert Feyerick - als ik me niet vergis - in 1909. Ik sta steeds weer in bewondering voor de mensen van de groendienst die het domein schitterend verzorgen. Mijn vader, zijn neven en nichten waren er caddie van 1919 tot 1930 en later. Ik meen zelfs te weten dat een van hen, Michel Verschueren, er caddie master was en jammerlijk verdronk toen hij in de poel op zoek ging naar een bal en onwel werd.

Uiteraard moest ik van thuis uit ook ‘stokken gaan dragen’. Ik liep daar rond van 1957 tot 1965 en had het geluk vaak met heerlijke spelers te kunnen optrekken. Van sommige mocht je dan, uit het zicht van de ‘directie’, ook al eens een balletje mee slaan. Dan had je nog wel die onvermijdelijke 9-putspelers waar je veel tijd mee verloor door het zoeken naar de verloren ballen, maar van wie je veel vriendschap had. Dat telt ook!

Ik herinner mij zo voor de vuist weg M. en Mw. Dubois, Mademoiselle Van Hauwaert en een kleurrijk figuur als Meneer Duvivier, die onder de caddies meestal ‘den ouwen duv’ genoemd werd. Hij woonde in de villa op het parcours van ‘den twee’ en had dubbel zoveel slagen nodig als een ander. Bij zijn derde slag (!) op de twee sloeg hij de bal steevast in het strooien dak van zijn villa. Met de tijd mocht ik met de tweede slag de bal zodanig leggen dat ‘het obstakel’ vermeden werd. Het was een heerlijke jeugd met de familie Swaelens en een crème van een caddie master als Aimé Van Hecke. Met het ‘drinkgeld’ dat we daar opstreken en met wat klussen in de St Christophe, de Pêcheur of bij de Lima, kocht ik dan een tweedehandse motorboot en verkoos te gaan spelevaren met mijn liefje in Baarlehoek.  Thuis mochten ze uiteraard niets weten van die speedboot. Die lag veilig bij Maurice en Bertha aan Baarleveer. Toen verwaterde die drang naar de golfclubs helemaal. Muziek, liefde en voetbal kregen de voorkeur.

Pas in 1980 kwamen de clubs weer boven water. Naast het tennissen ging ik af en toe, bij ondergaande zon, een balletje slaan. Voor een ex-caddie kneep men wel een oogje dicht want ik deed amper 4 holes aan en stoorde niemand. In mijn tuin had ik zelfs een ‘green’ aangelegd waar ik naar hartelust kon putten...

Ik vraag me soms af of dat vandaag nog zou kunnen. Latem heeft een zodanige metamorfose ondergaan en de zeden en gewoontes zijn totaal anders.

We kunnen nu wel terecht in Drongen of Puyenbroeck maar het is niet ons vertrouwd terrein.

Maar hebben we als Latemnaar nog ergens vertrouwd terrein buiten onze eigen tuin? Ik weet het, het is kwestie van perceptie en van assertiviteit, maar ik ben nu eenmaal een nostalgicus. Gelukkig is er een opwaardering van de wijk- en straatfeesten. Onze kermissen hebben ook die volkse sfeer verloren. Geen ouderwetse pensenkermis meer, geen haantjeskaarting, hoepelbolling of pitjesbak... Hoewel! Brakelkermis heeft nog zo iets volks.

Nu is er een ‘chillfuif’, een kreeftenfestijn, is er een champagne- en oesterbar. Niet te versmaden, verre van. Die heerlijke kermisgeur hangt echter niet meer in ons dorp. Op 22 augustus is het weer zover: twee weken Latem- en Deurlekermis. We gaan toch nog eens de sfeer opzoeken en wat beeldjes schieten voor de achterkleinkinderen. Toch even degusteren op het terras van ‘De Klokkeput’, de ogen sluiten en terugdenken aan de tijd van Miel en Frans De Cauter, La Belle Hélène, The Cotton City Jazzband, Koen & De Piotto’s en de frisse pinten bij Bakker Claeys. Kwestie van geen heemkundig gat te krijgen in de geschiedenis van de Leiedorpen zijn we het onze nazaten verplicht.

geitenkeuring la belle Helene 1958
Geitenkeuring 1958 - Foto Archief Latem-Deurle

 

 

 

 

 

 

10:45 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

08-07-10

Ons Loathemsch Woordenboekske es op de reels

We zijme al un hiele puuze bezig mee un woordenlijste te makken mee de woorden dienze ier gebruikteggen in den tijd dan der nog echtige Loatemneers woaren.
Nui es da ier sins joaren un verbassedeerd durp mee inweuners van hiel de planeete. 

Ge moet mai nui nie geluuven moar 't en es nie d'eeviedensse zelve om nog d'echte klanken te vinden. Wemme bijna ollemolle gestudeerd of ons pannenbroek versleten op de scholbanken en kennesse gemakt mee vrienden uit alderhande windstreken en tuurlijk uldren woordenschat en aksent overgepakt. 

Ge moet al weten da Deurles uuk al anders klinkt en dan de wijken Boarl'oek en Brakkel uuk andere klanken brabellen. We doen dan uuk moar un proboasse en oas ge gulder nog woorden of gezegdes vindt, geef ze moar deure!

Noar da't schijnt begint den ABC mee de A, dus ier zijme mee den iesten letter:

 

A

 

Aamer: hamer

Achterien: na elkaar

Achterwoarsterigge: vroedvrouw of iemand die hielp bij thuisbevalling - pejoratief: klapije

Afbustelen: afkloppen – ‘z’en em serjeus afgebusteld’ (een rammeling gegeven)

Àffel:  navel

Àffeseren: vooruitgaan, vorderen

Affrónt:   (ww: affronteren) belediging

Afgank:   diarree, (slecht van afgank = gierig),             vernedering

Afrijzer: glijbaan

Aftrekker: flessenopener

Akse: aandeel, part, soort bijl – ‘in akse schieten: beginnen

Akkrootje: tegenslag, botsing

Alpijn: alpenmuts

Altegoare: allemaal samen, 'tuupe te goare'

Ameldonk, amidon: maïszetmeel gebruikt voor het stijven van witgoed

Andieve: andijvie

Andjuun(s): ajuin(en)

Andjuuntsessausse: ajuinsaus

Annekesnest: troep, aanhang, ongeordende verzameling van allerlei zaken

Antrok (én): succes hebben (bij het andere geslacht)

Appeltrot: appelmoes

Appliek: muurlamp

Arrewar:   tumult, geharrewar ...

Ap: aap. (nen marteko)

Auverech(t)s:omgekeerd

Auwiel: houweel

 


Gasten, ge ziet damme nog nie te veele gevonden én, loat ulder uuren oas 't er iet mis es en geef moar buzze of sajette oas ge kunt elpen!


Peet Damman

 

An Frans 'Peet' Damman, den 'caddy' van Cyriel Buysse un kumme't niemer vroa'en... 


18:46 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

DE LOATHEMSCHE KLEPPE STRIKES BACK!

Bijna twee jaar min een chiclette waren we uit de running wegens een loginfout maar hier zijn we terug en wel met een heel kritisch stuk van blogger en expat Roel Verschueren. Hij verwoordt wat vele gemeentenaren op het hart en de tong ligt maar niet durven uiten.

Ik deed onlangs lukraak een oproep in de gedrukte versie van 'De Loathemsche Kleppe' en ja, zelfs in Wenen hoorden ze de klokken luiden!

 


“Het zou mijn hartenwens zijn moest mijn oude vriend en schrijver Roel Verschueren - criticaster en trendwatcher bij uitstek - dat nu eens als gast in zijn typische stijl en met zijn rijke woordenschat in dit bescheiden blad neerpennen.”

De Kleppe. Eigenlijk spijts spot en cynisme, een uiting van liefde. Ik heb echter altijd een probleem gehad met het dialectdeel, vergt bij mij nog altijd te veel energie. Ik begrijp en waardeer de poging wel, maar het doel schiet mijn linkeroog voorbij. Maar daarom is niet alles wat aan mij voorbijgaat gedoemd om Kleppe te zijn.

Zeven jaar is een mooi getal. Zeven, zweeft zoals negen maar is ronder. Zo lang ben ik uit mijn vorige gemeente weg. Weet je wat zeven jaar met iemand doet?
Die zorgen voor afstand, die verplichten je eerst tot zeven te tellen voor je een antwoord geeft op een vraag over Latem.
Kinderen worden daar zenuwachtig van, van wachten bedoel ik, vooral als het doel niet duidelijk is. Ik ook.
En ik was op zoek naar een doel, naar een aanvaardbare reden waarom ik op de toevallig ontdekte wens van Albert hoe dan ook zou reageren.
Wel, ik zeg het u, omdat Albert het zich gewenst heeft en ik zijn wens op Google gevonden heb. Iemand meer reden nodig?

De afstand tussen Wenen en Latem is precies 1163 kilometer. Als we Michelin mogen geloven is dat exact 10:22 uur rijden, waarvan 9:46 uur op autowegen.
Dat is wat men een ‘goede’ verbinding noemt toch?
Wel, die afstandsberekening kan dan wel kloppen, het gevoel ligt toch wat anders.

Zeven jaren betekenen op mijn leeftijd vooral vergeten wat net voor die zeven jaren is gebeurd. Ik heb geen probleem om me alles te herinneren over de kinderen die naar Sancta Maria werden gebracht en prachtig werden opgevangen. Maar dat is ondertussen 27 jaar geleden.
Ik herinner me nog levendig intense gesprekken met Raf, de enige echte burgervader van de gemeente, alles wat daarna kwam was vaal plagiaat, en dan nog niet noodzakelijk van een even authentisch gehalte.
Ik zag de gemeente veranderen, tot een gemeente zonder dorpskern, en hoeveel traiteurs en delicatessenwinkels hebben mensen nodig?

Ik heb de discussie meegemaakt over de kleur van de luiken van de Klokkeput die de burgemeester niet beviel: Provence blauw paste niet in de dorpskern die hij zelf vernietigde. Groen was zijn kleur, nou ja groen, wat daar in Latem moet voor doorgaan. 
Wandel- en jaagpaden stonden op de agenda, Hooglatem was een heikel punt, rotondes en asfalt stonden ter discussie, wateroverlast zorgde voor een gespeelde solidariteit die enkele seconden de politiek oversteeg.

Ik heb brieven rondgedragen voor de verkiezingen.
Niet voor mezelf, politiek bekijk ik vanaf de zijlijn, zeker als het over de lokale politiek gaat, maar een zeker amusementsgehalte heeft het in Latem altijd wel gehad. Ik heb teksten geschreven voor kandidaten die het zelf wat moeilijk konden verwoorden, en deelgenomen aan politieke vergaderingen van zowel blauw, als groen, als geel, of welke kleur dan ook. Ik heb mijn mening gegeven na eindeloze discussies over een partijlogo, waarover gesproken werd als zou het de wereld veranderen. Ik heb een burgemeester helpen verkiezen die zowel voor als na de verkiezingen met een bevroren brede glimlach de hand schudde van zijn dorpsgenoten zonder hen in de ogen te kijken, want al op weg naar de volgende hand. Ken je dat gevoel? De hand schudden van iemand die je eigenlijk negeert?
Ik ken ook de P.I.T.A’s van Latem. De Pain-in-the-Asses. De mensen die opkomen voor een partij die op voorhand weet dat ze geen kans heeft, maar wel degelijk beseft dat zonder hen niet gekookt kan worden. Deze mensen in de politieke twilight zone, die alleen kunnen overleven door ergens tussenin te vallen. Storende factoren, met niet noodzakelijk de juiste instelling die hun dorp ten goede komt.

Ik mis eigenlijk Astrid. Op de Naschmarkt in Wenen staat ook een vrouw met wat snor, maar die kan aan de onverstoordheid van de eeuwig-open Astrid niet tippen. 

Ik was deelgenoot van het sociale leven, dan vooral op uitnodiging en in kostuum, bij mensen die bij voorbaat wisten dat ze daarna deelgenoot zouden zijn van mijn sociaal leven. Facebook bestond nog niet, netwerken des te meer. Ik heb er rechtstaand leren eten, met een glas bengelend aan mijn bord, ongemakkelijk luisterend naar verhalen. Eten zowel als luisteren doe ik het liefst al zittend, ik gebruik mijn handen als ik discussieer. En hoe wilder de verhalen, hoe beter. Succes was een inherente factor, anders had je geen leven. En we waren schitterend in het elkaar stimuleren, uitdagen en schouderkloppen, dat hoort er nu eenmaal bij, wie gaat naar huis zonder schouderklop?

Ik herinner me de bouwfirma’s die gretig elk stukje vierkante meter bouwgrond kochten en er vervolgens de in oude bakstenen en dito pannen ‘Latemse villa’s’ op dumpten, alsmaar minder betaalbaar, maar de vraag was groot. Mensen met grote titels en zetels in elkaars raden van bestuur namen Latem over, kochten zich een identiteit die de hunne niet was. Inwijkelingen die zich binnen hun sociaal milieu isoleerden van wat het dorp ooit was, maar graag de aura meepikten van het idyllisch verleden. De kunstenaars die het dorp de epigraaf ‘Latemse School’ schonken draaien zich af en toe nog eens om in hun graf. Ik hoor het tot in Wenen.

Ik herinner me ook het elk jaar groter wordend vuurwerk op Latem Kermis, afgeschoten vanaf de geklasseerde overkant van het dorp, en Brakel kermis was ook een must. Zien en gezien worden. Kermis als venster op een wereld van mensen die geen dorpsmensen meer waren, en het nooit wilden worden.

Ik schrijf vandaag vanuit Wenen. Een stad die vele Vlamingen wel mogen. Ik woon in een klein district waar geleefd wordt, open en bloot, met elkaar, waar elk café een dorpscafé is en iedereen, iedereen kent. We helpen mekaar met de kinderen, onze stadskinderen die nog kunnen spelen in de straat, en we loven en ondersteunen elk creatief initiatief, hoe klein het publiek soms ook.

In België krijgen De Standaard en De Tijd online wekelijks mijn columns, als ‘expat’ heet het daar, maar ik ben meer, een ‘expat’ keert ooit terug. Ik ben iemand die beseft dat hij weg is, definitief weg en vanuit een ander perspectief over zijn land mag schrijven. Niet altijd mooi, dat ex land van me, maar het politieke gras is niet altijd groener aan de overkant. Ik schrijf meestal over dingen die me storen, ongeduld en het besef van onrecht groeit met het ouder worden. Vooral blind staren naar vastgeroeste standpunten stoort me het meest. Ik heb leeftijdgenoten die nog altijd dezelfde argumenten gebruiken van dertig jaar geleden. Ik kan me zo’n leven niet voorstellen en ik wil zo’n leven ook niet leiden.
Het zijn zij die lijden, zonder het te beseffen.

Ik weet niet hoe het er vandaag in Latem aan toe gaat. Misschien is alles weer anders. Misschien is het proces dat ik heb meegemaakt gestopt, schrijven de mensen hun voornamen weer in het Vlaams, zoals in hun geboorteakte staat, en gaat het opnieuw over essentie. Ik was de jongste zeven jaar nog drie keer in het dorp, maar dan eerder om er snel een graf te bezoeken, of een moeder die ondertussen ergens anders flink oud wordt. En dan stelde ik vast dat ik het eigenlijk niet miste.
Dat het een noodzakelijke omweg was van hier naar daar en ik bezoeker was, zonder nostalgie.

Op een verleden moet je niet spuwen, je kan het hoogstens relativeren en vaststellen dat als je vooruit kijkt, de nutteloosheid van heimwee ontdekt, de vluchtigheid van de jaren en het weldoende effect van loslaten van wat toen – waarom dan ook –belangrijk was, soms belangrijk scheen. Weemoedig staren naar vroeger, belemmert het zicht op de frisse nieuwe morgen. En die heb ik hoe dan ook, elke dag broodnodig en ik heb geleerd die elke dag opnieuw te beleven.

Roel Verschueren, Wenen, 27 juni 2010 

http://www.verschueren.at

 zaklientse 

Speciaal voor Roel het devies van de echte Latemnaar: horen, zien maar zwijgen...

Een foto van 'zijn' en 'ons' Astrid heeft hij van ons tegoed!

 

16:28 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |